In Nederland bestaat de mogelijkheid om tussen een moedermaatschappij en een dochtervennootschap, onder bepaalde voorwaarden, een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting aan te vragen. Hierdoor bestaat de dochtervennootschap voor de heffing van vennootschapsbelasting in feite niet meer, omdat zij geacht wordt te zijn opgegaan in de moedermaatschappij. Moeder- en dochtervennootschap alsmede hun resultaten worden bij elkaar opgeteld (consolidatie) en in één aangifte vennootschaps­belasting, op naam van de moedermaatschappij, betrokken.

 

Dit heeft belangrijke voordelen. Zo zijn bijvoorbeeld onderlinge transacties tussen moeder- en dochtermaatschappij niet zichtbaar en dus (fiscaal) niet relevant. Verder is bijvoorbeeld een verlies van de moedermaatschappij direct in het belastingjaar te verrekenen met een winst van de dochtervennootschap (horizontale verliescompensatie). Verder zijn leningen tussen de onderdelen van de fiscale eenheid niet zichtbaar en dus (fiscaal) niet relevant.

 

Op 22 februari 2022 heeft het Europese Hof van Justitie beslist dat Nederland in strijd handelt met de vrijheid van vestiging indien zij een specifiek voordeel van het fiscale-eenheidsregime onthoudt aan grensoverschrijdende groepen van vennootschappen. Zou Nederland deze voordelen eveneens moeten toekennen aan grensoverschrijdende situatie, dan zou dat een enorme derving van de belastingopbrengst tot gevolg hebben.

 

Om te voorkomen dat nationale situaties worden bevoordeeld is met spoed een wetsvoorstel ingediend om een aantal specifieke voordelen van het fiscale eenheidsregime simpelweg om zeep te helpen. Hier krijgen dus ook puur Nederlandse situaties mee te maken. Door het laten vervallen van deze voordelen voor binnenlandse situaties, worden nationale situaties niet langer bevoordeeld ten opzichte van grensoverschrijdende situaties.

 

De wetgever heeft voorgesteld om een aantal regeling tot te passen alsnog er geen fiscale eenheid is.

 

Terugwerkende kracht en overgangsmaatregel

Het wetsvoorstel is nog steeds niet aangenomen. Duidelijk is wel, dat het wetsvoorstel terugwerkende kracht krijgt tot 1 januari 2018. Voor 2018 is een tijdelijke overgangsmaatregel op grond waarvan het wegdenken van de fiscale eenheid achterwege kan blijven tot 1 januari 2019.